Sinds zijn melktanden is Evert de Moor gek op wielrennen. Met ingang van, zeg maar, het op zijn eind lopende TI-Raleigh-tijdperk is Evert steevast te vinden, waar een wielerliefhebber hoort te zijn: 'En Route', aan de kant van de weg. In een voorbijsnellend peloton, tijdens de Scheldeprijs van 2002, reageerde Servais op een groet van Evert. Een groet, zomaar in het wilde weg. De verwondering over het teruggroeten vertaalde zich in sympathie. Deze sympathie vertaalde zich op zijn beurt in een artikel over Servais, geschreven voor een personeelsblad. Met ingang van 2003 schrijft Evert voor deze site een column met de naam 'Aan de kant'. Geen column over geld, doping en combines! Wel een column over vrienden in het peloton, reacties na de finish en strijkkralende peuterdochters. Een column met een vette knipoog en soms (meestal bij toeval dan) met de spijker op de kop. Een column geschreven door een wielerliefhebber die anderhalf jaar ouder, vijf centimeter korter, zeker handiger met een voetbal en beslist onhandiger op kasseinen is dan ... Servais Knaven.
| nummer 50 - september 2009 |
Een prettig mens! Mijn vijftigste column zou er één worden waar de spetters vanaf zouden vliegen. Dat bedacht ik even geleden. Een column compleet met showballet inclusief veren en volautomatisch siervuurwerk. Denk je toch eens in, vijftig stukjes tekst met prietpraat over één wielrenner. En dan nog wel Servais Knaven. Niet echt iemand die de ene na de andere monarchie omver werpt. Wel een prettig mens. Yep, ik besef me goed dat dit een persoonlijk waardeoordeel is. Iedereen heeft immers zijn eigen definitie voor ‘een prettig mens’. Hoe dan ook, het impliceert wel iets positiefs. Wat daarentegen een stuk minder positief is, is dat Servais maar niet wil stoppen met fietsen. Fijne vent hoor! En ik maar schrijven. Ik had het me allemaal ook veel eenvoudiger kunnen maken. Want de enige reden waarom ik destijds met hem contact zocht, was om een Domo-FarmFrites-bidon te scoren. Een wat? Ja, voor op mijn fiets! Ik had een replica gekocht van de Eddy Merckx, waarop de betreffende ploeg rondreed. Servais was één van de Nederlanders in dienst van die ploeg. Achteraf had ik veel beter bijvoorbeeld Max van Heeswijk of Jans Koerts kunnen benaderen. Die reden daar ook. Dan was ik nu mooi klaar geweest met schrijven en had iets anders kunnen gaan doen. Mijn idealen bereiken of zo? Sprookjesverteller in de Efteling, ridder op het (niet te wilde) witte paard of pornokoning van Zuid-West Nederland. Ik ken mijn grenzen. Nu lijkt het vragen om een bidon een eenvoudige exercitie. Gelukkig ben ik gezegend met het ‘talent’ om van iets heel eenvoudigs, iets ultra ingewikkelds te maken. Ik verzon dat er een interview met Servais moest komen voor het personeelsblad van de organisatie waarvoor ik werkte. Een organisatie waarin men dacht dat een waaier trekken iets met prostitutie te maken had en dat een afloper een afgrijselijke geslachtsziekte moest zijn. Het lot bepaalde dat Servais de ‘gelukkige’ was in deze bidonaffaire. Want van al de Nederlandse Domo-FarmFrites-renners was hij de enige waarvan ik het telefoonnummer kon vinden. “Met Natascha”, klonk het door de hoorn, toen ik mijn masterplan operationeel maakte. Shit, wie was dat nu weer? Ik vertelde dat ik een interview met de heer Knaven wilde en vroeg of ik dat kon regelen met de persvoorlichter of zijn zaakwaarnemer. Nadat ze was uitgelachen, zei ze dat haar man nog diezelfde avond tijd voor me had. Het was op donderdag 16 mei 2002, ik zal het niet snel vergeten. Ik had die middag tentamen rechtsfilosofie aan de Universiteit van Tilburg. Een vak waaraan ik overigens geen ruk meer heb gehad. De ontvangst in de vroege avond was hartelijk. ‘Hoe werk ik dit vervelde joch zo snel mogelijk weer buiten’, moet Servais gedacht hebben, terwijl hij glimlachte als een mohammedaan die zojuist in de gaten had gekregen dat zijn opgepeuzelde broodje shoarma vol met varkensvlees zat … Tijdens de uren die volgden, voelde ik me als God in Frankrijk: ik zat in zijn teakhouten tuinstoel, ik kreeg zijn nog maagdelijk ogende bidon en ik maakte gebruik van zijn fraai geëmailleerde toilet. Bij deze laatste uitspatting besefte ik me dat nu de bidon was, we elkaar toch niet meer zouden zien. Wat belette me om, gevoed door een stevige dosis vrijkomende tentamenstress, ongegeneerd een aanzienlijk gat in de ozonlaag boven zijn huis te kakken? Toch beleefde Servais ook een moment van geluk, al was dat maar kort. Het Franse wielertijdschrift Vélo pakte in het mei-nummer van 2001 uit met een adembenemende fotoreportage over Servais’ Parijs-Roubaix. Ik had de foto’s voor hem laten kopiëren. Mijn opazaliger had het in zo’n geval over: “Men zaait voor men oogst”... Ook verzon ik om samen met onze fietsen op de foto te gaan. Dat was leuk voor de publicatie. Er is een berg foto’s genomen. Op één foto lacht Servais, een beetje. Bij het afscheid moest ik huilen. Niet van emotie, maar omdat ik last had van mijn beide (!) lenzen. Ik wuifde het ongemak weg en met anderhalf gesloten oog, schreed ik regelrecht de stuiken in. Het moet er bespottelijk hebben uitgezien. Om het ongemak enigszins op te heffen, kreeg ik van zijn zaakwaarneemster twee (!) sportzonnebrillen mee. Ze waren van Servais. Aan de stand van zijn neusvleugels zag ik, met een half oog, dat hij er erg aan was gehecht. We zouden elkaar nu echt nooit meer zien! Een poosje hadden we geen contact. Toen kwam de nieuwsgierigheid boven. Tenminste, bij mij. Dan zoek je elkaar op. Tenminste, ik hem. Je raakt aan de praat. Tenminste, ik met hem. En je gaat opzoek naar raakvlakken in interesses en karaktereigenschappen. Tenminste, ik naar de zijne. Aanvankelijk was het éénrichtingsverkeer. Dat was mijn schuld. In die dagen was ik tamelijk springerig. En als we elkaar dan spraken, hield hij steevast zijn zonnebril op. Renners die dat doen, zijn niet geïnteresseerd. Zo interviewde Mart Smeets tijdens de Tour van 1989 Gert-Jan Theunisse. Theunisse hield zijn bril op en Smeets vroeg hem of er ‘ook ogen achter die bril zaten’. De bril ging af. Het interview voelde aan als lauw water. Enfin, op den duur zou blijken dat humor ons bindmiddel zou zijn. Of eigenlijk: humor overgoten met een sausje van gezonde zelfspot. Ik ben nog wel eens begonnen over de Europese Monetaire Unie en hij over een anaerobe inspanning. Maar dat werd niets. Hilarisch was het moment toen hij tijdens de Eneco-Tour als enige met armstukken door de Westerschelde-tunnel reed. Ik had hem wijsgemaakt dat het daar rond het vriespunt was. Niets was minder waar. Of het moment waarop ik al mijn moed bijeen had geraapt om voor de eerste keer te vliegen. Kokhalzend spoedde ik me naar de badkamer nadat ik zijn sms’je las: ‘Vliegen is best eng. Ik ben altijd blij als ik veilig aan de grond ben. Vrijwillig vliegen zou ik nóóit doen!’. Er
is mij wel eens verweten dat ik dat sarcofaag van een Knaven
volg, in plaats van een jonge renner. Ook is gesteld dat mijn columns
uitpuilen van het positivisme ten opzichte van de hoofdpersoon. Ik heb
daar een korte reactie op: “Klopt!”. Op dit podium
mág dat. Oh, ik durf best negatief te zijn en hem te confronteren
met de onvermijdelijke devaluatie van zijn salaris in de laatste jaren
of het gesuggereerde regisseren van criteriums! Maar dat wil ik allemaal
niet weten. Één keer, ja. Toen was ik benieuwd naar de
eikels van het peloton. Hij antwoordde resoluut dat hij er geen
kende. Dat meende hij. Daar twijfel ik niet aan. Het is diezelfde oprechtheid,
die me integreert in Servais. Hij is geen kampioen, geen killer
en zelfs geen eikel. Ik ken hem als een vriendelijke vent met
een positieve kijk op het leven. En misschien heeft dát hem gebracht,
waar hij nu is? Het is grappig dat mijn denken over Servais onlangs
in Parijs-Roubaix werd versterkt. Ik volgde hem die dag en was getuige
van welgemeende aanmoedigingen, respectvol tv-commentaar en collegiaal
applaus in de teambus. Inmiddels is het contract van Servais bij Team-Milram
verlengd. Dat zegt iets over Servais; dat zegt ook iets over het management
van die ploeg. En daar waar killers hun doelstellingen linksom
bereiken, bereikt Servais ze rechtsom. Door te zijn wie hij is: een
prettig mens. Ik schreef er tot nu toe vijftig columns over. Met plezier!
|